
HeHenry Moore en Lucien den Arend voor
Moore's huis in Forte Dei Marmi
Mijn eerste ontmoeting met Henry Moore en zijn vrouw Irina
was op een zondagmorgen, 23 augustus 1970 op een terras in Forte Dei Marmi,
Italië. Een
jaar later, op 20 augustus 1971, zag ik beiden weer in hun huis aan de Via Civitali 198
van hetzelfde stadje. Na afloop heb ik die avond de volgende aantekeningen
gemaakt:font>
Irina Moore liet mij binnen. Zij deelde mij mee dat Henry
Moore aan de telefoon was. Het viel mij op dat zij niet over "mijn man" of iets
dergelijks sprak, maar zijn volledige kunstenaar's naam gebruikte. Zij nodigde mij uit om
in de woonkamer plaats te nemen. Ondertussen sprak hij met zijn secretaresse over een of
andere verkoop. Hij merkte op "Het giet in Londen". Ik maakte een opmerking over
een mooie vaas die ik had gezien bij Henraux in Querceta. (de firma Henraux is eigenaar
van de Altissimo, de berg waar Michelangelo zijn marmer vandaan haalde. Zij doen handel
met de hele wereld.) "Zij hebben deze vaas aan Mary gegeven." vertelde
Irina.
Mary is hun dochter. Moore wendde zich tot ons na afloop van zijn
telefoongesprek.
"Ik heb achter een onverwachte gast... Even kijken, hoe lang blijf je nog in Forte
Dei Marmi?" Ik vertelde dat ik zondag of maandag weer zou vertrekken. "Laten wij
maar even kijken hoe lang het duurt. Mijn vrouw zal bij je blijven en je iets te drinken
geven." Zij merkte op dat dit de warmste zomer was die ze ooit meegemaakt hadden in
Forte Dei Marmi. Ik ging met haar me naar de keuken en besloot om een soda te
nemen. Zij
deed er een schijfje citroen bij. "Hoe gaat het met je werk?" Vroeg
zij.
"Ik heb het aardig druk." "Prachtig." Zij stelde voor om naar de kamer
te gaan en begon over iemand (ik kon er niet uit opmaken wie - misschien was het Mary) op
het Edinburg festival. Ik vroeg hoe lang zij al in Italië waren. "Drie
weken."
Ik voelde mij niet zo op mijn gemak met die bezoeker in de achtertuin, en vroeg of ik haar
soms van haar gast af hield. "Nee, maar kom, laten wij naar de tuin gaan; dan kunnen
wij daar gaan zitten. "Hoe gaat het met uw vrouw. Ik vertelde haar dat het meisje die
zij vorig jaar ontmoette niet mijn vrouw was en dat wij elkaar niet meer zagen. "Ach,
misschien is het wel beter om iets ouder te zijn voordat men trouwt; men is dan meer
zelfstandig... en toch is het misschien wel goed om jong te trouwen en aan elkaar gewend
te raken. Ik weet het eigenlijk niet." Ik vertelde haar dat ik niet dacht dat het
noodzakelijk is voor een partner van een kunstenaar om veel van kunst te weten. Zij leert
aldoende. Ik stelde dat het volgens mij voor de hand lag dat de vrouw van een kunstenaar
misschien eerder verwaarloosd zou kunnen worden. Aen fabrieksarbeider verlaat zijn werk
aan het einde van de dag en gaat dan naar zijn vrouw thuis (ik zag de dingen toen
kennelijk minder gecompliceerd). Intussen hadden wij plaats genomen aan een grote
ronde,
marmeren tafel in de tuin. Henry Moore was in bepreking aan een tweede tafel met zijn
gast. Irina, die het niet zo met mij eens was met betrekking tot mijn gedachten over die
fabrieksarbeider en zijn vrouw, zei "Nee, een kunstenaar werkt meestal thuis en een
arbeidersvrouw zit de hele dag alleen thuis en moet dingen doen die zij niet leuk
vindt.
Wanneer dan haar man thuis komt ... Jij bent toch uit Holland? Wij zijn er dikwijls
geweest, Rotterdam, Den Haag een keer, Arnhem." Ik vroeg over een wat verwaarloosd
uitziende, golfplaten schuur achter in de tuin. "Het is de plek waar een vriend en
schilder(Martini?) vroeger werkte. Wij kochten het huis van hem; het was toen alleen maar
dit gedeelte." Zij wees het linker deel van het huis aan. "Wij hebben de rest,
met alle aanpassingen, zelf gebouwd. Een vriendelijke dame, verderop, komt hier op een
mooie winterse dag en doet alle ramen open om te luchten."
De telefoon ging. Irina en Henry Moore stonden allebei op;
"Ik neem wel op." riep hij; maar zij was intussen al naar binnen. Op zijn blote
voeten keerde hij weer terug naar zijn bezoeker. Even later kwam zij terug en terwijl zij
de deur van het oude gedeelte van het huis opengooide, verzuchtte zij "even wat
frisse lucht binnen laten" en vervolgde "waarschijnlijk verkeerd
verbonden." "Hang maar op, hang op schat!" Hij leek gespannen en herstelde
zich, "Ja, waarschijlijk een verkeerd nummer." Hij en San Lazarini (zo heette de
gast geloof ik) stonden op en kwamen bij ons zitten. Henry Moore stelde hem aan mij
voor.
Hij was uitgever. Hij verontschuldigde zich en vertelde dat hij nu op de taxi
wachtte; en
dat zijn uitgeverij aan een omvanrijk boek over het werk van Henry Moore bezig was.
Toen Henry Moore terug kwam van het bellen naar de
taxicentrale vertelde ik hem dat ik eerder die dag naar Henraux geweest was. In 1970 had
Henry Moore my aangeraden om contact op te nemen met mijnheer Cidonio van Henraux om in
een van hun beeldhouwateliers te mogen werken. Hij had mij gezegd dat ik kon komen wanneer
ik wilde.. "Dat is mooi," zei Henry Moore "ik heb daar al (vijfentwintig?)
jaren gewerkt. Je moet eerst zelf in steen gewerkt hebben voordat je het voor je kan laten
doen. Dan is het goed." Ik vroeg of hij de stenen die hij aan de kust vond bewerkte
zoals in het boek vermeld werd. In het boek van John Hedgecoe en Henry Moore had ik erover
gelezen en wilde van hem weten wat hij van het werken in dit materiaal dacht.
"Waar?" vroeg hij. Zijn vrouw antwoordde "Ja, in Dorset." "O
ja,
er waren goede vormen bij om mee te beginnen, en ik bewerkte ze om de vorm sterker te
maken. Maar na zo'n drie maanden kwam er dan een soort schuim op vanwege het zout dat erin
zat." "zoals op keldermuren?" zei ik. "Ja, en langzaam vielen ze
uiteen. Een paar goede die ik in brons gegoten had, hebben het overleefd." De bel
ging. De taxi was er en de uitgever nam afscheid van mij. De Moore's deden hem
uitgeleide.
Het was 19:05 uur. Ik verontschuldigde mij dat ik hun drukke programma wellicht verstoord
had. "Nee het geeft niet: mijnheer San Lazarini heeft een week moeten wachten voordat
hij hier een hotel kon krijgen." Ik had uit hun gesprek gehoord dat de Moore's en San
Lazarini de volgende avond met Marino Marini gingen eten in de Paris Inn. Zo'n gegeven was
voor een jong beginnend beeldhouwer als ik vanzelfsprekend een uiterst interessant
gegeven. Marino Marini werkte ook in de omgeving van Forte Dei Marmi. Het was, geloof
ik,
in Pietrasanta.
Ik vertelde dat ik enkele dagen eerder in Volterra geweest
was. "Het is daar mooi." vertelde Henry Moore. "Waren wij daar
dan?"
vroeg Irina. "Nee, ik was er met Mary en een vriend van haar; de weg eromheen met dat
prachtige uitzicht. Ik vroeg "Zag u die grote kiezels in de bergwand die voor de weg
afgegraven was? Een prachtig reliëf" "Ja, zijn die niet prachtig?" Ik zei
"Het was daar dat ik een trap op gegaan ben naar een plek bij een opgraving; daar nam
ik foto's. Ik was ook in het museum an zag er de gebeeldhouwde deksels van de sarcofagen
met de liggende echtparen erop. Er waren er zoveel dat men mij gemakkelijk er een had
kunnen geven." Henry Moore glimlachte en vroeg of ik in Florence naar het
Etruscenmuseum geweest was. "Je zou daar heen moeten." Ik vertelde hem dat ik
lange Giacometti-achtige beeldjes gezien had. "Ja, daar had hij het idee van
gekregen. Hij vertelde het zelf aan mij." verklaarde Henry Moore.
De telefoon ging. "Dat zijn vrienden met wie wij gaan
eten ..." Het was inmiddels 19:30 uur. "Heb je de Carlo Carra expositie in het
centrum gezien?" vervolgde hij. Ik vertelde hem dat het een verademing was na al die
artistiekerige producten op de kunstmarkt. "Maar mensen kopen het en vinden het
mooi." zei Irina, "en dat is toch goed?" Ik vraag my nog steeds af hoe zij
dat bedoeld kan hebben.

Ik had voor mijn bezoek een doosje met kleine eigen beeldjes
en modellen uit Holland meegenomen. Dus vroeg ik hem of ik hem mijn werk mocht laten
zien.
"Ja, dat is goed." zei hij en keek op zijn horloge. Ik had niet zo lang moeten
wachten om het te vragen dacht ik, maar het was nu of volgend jaar pas weer. Ik aarzelde
"of moet u gaan." "Nee het is goed, laat ze zien." Terwijl ik ze één
voor één op tafel zette zei hij dat hij ze mocht en dat Discoid Form Juncture
mooi zou zijn in marmer. Ik vroeg hem "Hoe zou de pijp (de bevestiging met de
grondplaat) zich houden in het materiaal?" "Goed hoor, zij (Henraux) zijn goed
in het oplossen van problemen, en je zou het eigenlijk dichter op de grond moeten
plaatsen." Toen ik Discoid Form 3 uit pakte zei hij "O ja, die zou ook
bijzonder goed in marmer zijn. En het looden Beach Forms, "Ja, de ruimte
ertussen zou gevuld moeten zijn wanneer je het in één stuk zou willen houden." Hij
herinnerde zich de schetsen die ik hem vorig jaar had laten zien. Hij zei, "Ja, ik
heb ook in lood gegoten, maar het krast zo gemakkelijk." Ik toonde hem Reclining Form 3 en merkte op dat ik mij ook aan enkele liggende
figuren gewaagd had. Hij zei "Die is ook erg mooi, zij zijn allemaal goed om in het
groot uit te voeren." Hij speelde ermee in zijn handen en zette het in verschillende
standen, legde het op zijn zij, en stelde "Zo vind ik het zelfs nog mooier. Zij zijn
allemaal heel kernachtig." Ik vertelde hem dat ik zijn werk erg goed vind en dat ik
zelf er op uit was om vormen te vereenvoudigen en ze tot de meest elementaire vorm terug
te brengen. Hij antwoordde "Ja."
Irina kwam terug van haar telefoongesprek en
wij spraken nog wat over het werken in verschillende materialen. Hij vond dat marmer toch
wel enige aders moest hebben omdat het anders gewoon op gips zou lijken; "maar niet
te veel, omdat het anders zo'n objet d'art zou worden zoals die vaas binnen of van die
asbakken." Ik vroeg of zij ook die ene stand gezien hadden met die beelden met dat
opdringerig materiaalgebruik. Dat vonden zij ook, "te veel aders."
Intussen had ik mijn modellen weer
ingepakt en in de doos gedaan en was uit mijn stoel opgestaan. Wij liepen naar binnen waar
Henry Moore naar de bewuste vaas wees: "die hebben wij gekregen van Henraux." De
vaas had een bolvorm; Henry Moore gaf hem een draai. Ik hield hem tegen toen hij dicht
naar de rand van de tafel getold was. "Ja," zei Irina "Mary zou het heel
erg vinden als hij viel." Henry Moore draaide hem terug naar zijn oude plek midden op
de tafel.
Buiten aangekomen vroeg ik of ik een foto van
hun mocht maken. "OK, zullen wij hier gaan staan, nee, even kijken, hier is het
goed.
Ik herhaalde dat ik beiden op de foto wilde hebben, "Mij niet." zei
Irina, en
uiteindelijk maakte zij een foto van Henry Moore en mij bij de ingang. Zij gaf mij de
camera terug en ik maakte er een van Henry Moore alleen. Wij namen afscheid en Ik ging
terug naar mijn hotel.
|